|
Goed te gebruiken door leerlingen met een zwakke spelling
| 1.
korte klank: a (kat) 2. korte klank: e (bel) 3. korte klank: i (kip) 4. korte klank: o (bos) 5. korte klank: u (bus) 6. lange klank: aa (aap) 7. lange klank: ee (deeg) 8. lange klank: oo (boog) 9. lange klank: uu (uur) 10. tweeteken: ie (lief) 11. tweeteken: ij (ijs) 12. tweeteken: oe (boef) 13. tweeteken: ui (buis) 14. tweeteken: eu (beuk) 15. eindigend op -st (best) 16. eindigend op -ts (fiets) 17. overige (lift) 18. beginnend met bl- kl- (blok) 19. beginnend met kr- tw- (kraal) 20. beginnend met s*- (slaap) 21. met een lastige klank (balk) 22. beginnend en eindigend (broers) 23. beginnend en eindigend (spaart) 24. vooraan (sprits) 25. achteraan (herfst) 26. vooraan met sch- (schaal) 27. eindigend op -ng (ring)) 28. eindigend op -nk ( pink) 29. beginnend met f- (feest) 30. beginnend met v- (vaas) 31. beginnend met s- (slaap) 32. beginnend met z- (zaag) 33. eindigend op -f (brief) 34. eindigend op -ch/-cht (nacht) 35. met aai (kraai) 36. met ooi (prooi) 37. met oei (groei) 38. met eer (beer) |
39.
met oor (boor) 40. met eur (deur) 41. met uw eeuw ieuw (ruw) 42. met ei (mei) 43. met ei (dweil) 44. met ij (blij) 45. met ij (rijk) 46. met au (auto) 47. met ou (fout) 48. eindigend op -t (acht) 49. eindigend op -t (laat) 50. eindigend op -t (rijst) 51. eindigend op -d (bad) 52. eindigend op -d (maand) 53. met een f- (blokfluit) 54. met een -f- (afgrond) 55. met een v- (bromvlieg) 56. met een v- (vleermuis) 57. met een s- (balspel) 58. met een z- (broekzak) 59. eindigend op -s (bootreis) 60. met een ch/cht (aandacht) 61. met een ng/nk (bankschroef) 62. met eer (brandweer) 63. met oor (doorgaan) 64. met eur (deurbel) 65. met ei (breinaald) 66. met ij (blijdschap) 67. met ou (buurvrouw) 68. beginnend met be- (bericht) 69. beginnend met ge- (geloof) 70. beginnend met ver- (verbaasd) 71. eindigend op -e (aarde) 72. eindigend op -el (vleugel) 73. eindigend op -er (achter) 74. eindigend op -ig ( machtig) 75. diversen (bliksem) 76. "aa" > a (adem) 77. "ee" > e (leven) |
78.
"oo" > o (over) 79. "uu" > u (brutaal) 80. "ie" > i (kampioen) 81. woorden met a (dapper) 82. woorden met e (bedden) 83. woorden met i (hitte) 84. woorden met o (zonnig) 85. woorden met u (krullen) 86. eindigend op -je (grapje) 87. eindigend op -tje (eitje) 88. eindigend op -pje (armpje) 89. eindigend op -etje (karretje) 90. eindigend op -kje (woninkje) 91. klank verandert (blaadje) 92. klank verandert (autootje) 93. f verandert in v (boeven) 94. s verandert in z (bazen) 95. meervoud op 's (auto's) 96. met een x (box) 97. met een y (typen) 98. met een c als "s" (cel) 99. met een c als "k" (acrobaat) 100. met een c als "k" (accu) 101. met een trema (sleeën) 102. eindigend op o.a. -iaal (liniaal) 103. eindigend op -isch (medisch) 104. woorden met ti/tie (portie) 105. woorden met ti/tie (actie) 106. eindigend op -heid/teit (wijsheid) 107. woorden met ch/g (chef) 108. klinkercombinatie en accenten (café) 109. restwoorden (baby) 110. restwoorden (keeper) |